Bodemverbetering

Introductie

 

Alles begint bij de bodem. Belangrijk bij een goede gewasopbrengst. Wormen, bacteriën, schimmels, nutriënten, organische stof allen van belang voor een ‘gezonde bodem’ een bodem die kan zorgen voor een betere gewaskwaliteit, meer biodiversiteit en betere waterkwaliteit.

 

Pakketten bodemverbetering richten zich op verbetering van de bodem. Dit kan door het gebruik van organische mest in de vorm van strorijke vaste mest, bodemverbeteraars als compost, plantenresten opgebracht dan wel via groenbemesters aanwezig en tal van andere mogelijkheden ter verbetering van de structuur, chemische samenstelling en het bodemleven.

Beheerpakketten

Weidevogelbeheer
Meer lezen
Botanisch graslandbeheer
Meer lezen
Akkerbeheer
Meer lezen
Bodemverbetering
Meer lezen
Sloot- en waterbeheer
Meer lezen
Landschapsbeheer
Meer lezen

Wat is het?

Het leefgebied natte dooradering binnen het agrarisch cultuurlandschap bestaat uit een netwerk van natte landschapselementen in de vorm van sloten, beken, kreken, moerasjes, rietlandjes en plasdras gebiedjes, maar afhankelijk van de regio ook in de vorm van poelen en andere kleine wateren. Het aangrenzende grasland is vaak vochtig tot nat, heeft veelal een hoge grondwaterstand en is in streefsituaties begroeid met kruidenrijk en niet te dicht gewas.

Diersoorten die profiteren van Natte Dooradering

Voor veel soorten vissen, libellen, amfibieën en vogels zijn lijn- en puntvormige wateren van groot belang voor in stand houden van populaties. Vissen zijn vooral afhankelijk van watergangen met een goede waterkwaliteit en vaak (maar niet altijd) weelderige onderwatervegetatie. Voor libellen is
daarnaast ook een goed ontwikkelde oevervegetatie van belang. De meeste soorten amfibieën zijn weer afhankelijk van een combinatie van sloten of poelen met gras- of akkerland en opgaande begroeiing.

Beheer

Voor het beheertype geldt dat er een grote variatie bestaat in omstandigheden en daarmee in biodiversiteit, mede bepaald door de geografische plek en de dimensies van de waterelementen. Het leefgebied is zodanig ingericht en – afhankelijk van de soort wel of juist niet – verbonden met gebieden in de omgeving dat uitwisseling mogelijk is om vitale populaties van doelsoorten te handhaven. De connectiviteit (verbinding) met aangrenzende maar ook verder gelegen watersystemen zoals grotere Rijkswateren (meren en rivieren) en natte natuurgebieden is hierbij voor sommige soorten essentieel.

Nattelandschapselementen houden niet op bij de waterlijn, ook oeverranden, moerasjes, bermen en plasdras zone zijn onderdeel van dit leefgebied en belangrijk voor de soorten die hiervan gebruik maken. De geleidelijke gradiënt van nat naar droog zorgt er voor dat er verschillende vereiste deelhabitats voor soorten aanwezig zijn. Het beheer en de inrichting van oeverzone en wateren is erop gericht dat deze op netwerk- en landschapsniveau voldoen aan de eisen die de doelsoorten aan de beheertypen stellen.